• Deutsch (German)
  • English
  • Español (Spanish, Mexico)
  • Français (French)
  • Nederlands
  • Português (Portuguese, Portugal)

Terminologie

Op deze pagina staat een overzicht van gebruikte begrippen en afkortingen.

Hiernaar kan verwezen worden vanuit de beschrijvingen van de verschillende balfolk dansen.

Standbeen

Het been waarop het gewicht rust.

Stap

het verplaatsen van een voet met overbrengen van het lichaamsgewicht, terwijl de andere voet nog op de grond is.

Sprong

Dit is een afzet van één van beide voeten of van allebei tegelijk, daarna een zweefmoment en tenslotte neerkomen op één van beide voeten of op allebei.

1. afzetten van beide en neerkomen op beide:

  • Sluitsprong: neerkomen op gesloten voeten
  • Spreidsprong: neerkomen in spreidstand

2. afzetten van twee voeten en neerkomen op één:

  • op de plaats
  • Zijwaarts
  • voorwaarts
  • achterwaarts

3. sprong van de ene op de andere voet (Loopsprong)

4. sprong van de ene voet, neerkomen op dezelfde: hup of hop

Tik

Het met de voet de grond aantikken zonder dat er gewicht wordt overgebracht.

Kan bv met teen, hele voet of hiel.

Wandelpas

een serie stappen, kan voorwaarts of achterwaarts

Looppas

een serie loopsprongetjes voorwaarts of achterwaarts. Onstaat meestal wanneer een wandelpas versneld wordt.

Aansluitpas

Een stap naast het standbeen

Bijtrekpas

Een stap opzij gevolgd door aansluitpas.

Wisselpas

dubbele gewichtswisseling met aansluitpas (kan naar opzij, naar voren of naar achteren)

Bijvoorbeeld met Links te beginnen:

  1. verplaats linker been met gewicht
  2. sluit rechterbeen aan met gewicht
  3. verplaats linkerbeen met gewicht

Voorbeeld: de eerste pas van de An-Dro is een wisselpas naar links (met linkerbeen te beginnen). De tweede pas van de An-Dro is een wisselpas op de plaats (zonder verplaatsing) met rechterbeen te beginnen.

Galoppas

Stap opzij, gevolgd door aansluiten van de andere voet met een sprongetje, het aansluiten gebeurt nu in de lucht. De pas ontstaat meestel wanneer een bijtrekpas versneld wordt. Om de pas goed in te zetten moet men beginnen met een opvering op het afzetbeen.

Stap-hop pas

Een stap op rechts, gevolgd door een hop op hetzlefde been, dan idem links enz.

(Wordt deze pas in 3/4 maat gedanst, met ipv de hop alleen een opvering op de 3e tel en met gekruist overzwaaien van het speelbeen, dan onstaat de Zweedse Dalpas.)

Hop-stap pas

Een hop op rechts, gevolgd door een stap met links, daarna begint de volgende weer met een hop op links, enz.

Huppelpas

Een versnelde stap-hop pas.

Rielpas

Een stap-hop pas of een huppelpas, waarbij de voet steeds achter c.q. vóór de andere wordt neergezet en dan bij de hup weer naar voren c.q. naar achteren wordt verplaats, zodanig dat men op dezelfde plek blijft.

Om deze pas goed te kunnen uitvoeren moet men de benen goed uitdraaien.

Driepas

Algemene benaming voor iedere pas die uit drie stapjes bestaat.

Hieronder enkele varianten±

Wisselpas

Drie wandelpassen in het ritme kort/kort/lang, waarbij de tweede pas meestal een aansluitpas is

Schotse pas

Drie wandel- of looppassen plus een hup.

Vaak begint de pas met de hup op een opmaat.

Pas komt voor in 2/4 of 4/4 maten in verschillende ritmes.

Een Schotse pas in een gelijkmatig, langzaam ritme wordt ook wel een wissel-hop-pas genoemd en in Frankrijk heet dat dan weer een Pas de Gavotte.

Vroeger werd deze pas ook wel aangeduid als een polka-pas.

Mayim pas

Wandel- of loopaas zijwaarts, waarbij de ene voet afwisselend voor of achter de andere wordt langs kruisend wordt neergezet. Begint meestal met vóór kruisen.

Deze pas wordt in de USA meestal “grapevine” genoemd maar begint dan meestal met de zijwaarste pas.

Laat je de zijwaartse verplaatsing weg (en daarmee dus dan ook het kruisen) dan krijg je de TSJERKESSIA-pas

Spinpas

Stap met de rechtervoet vóór de linker langs, met doorbuigen in de rechter knie, gevolgd door neerzetten van de linker voorvoet achter of iets voorbij de rechter en strekken van het linkerbeen. Hierbij wordt de rechter voet dan weer verplaats etc.

Niet te verwarren met het “SPINNEN” - dat doe je met z'n tweeën.

Draaipassen

Sommige van bovenstaande passen kunnen door paren draaiend worden uitgevoerd. Dan krijg je bijvoorbeeld:

Wandelpas

Wordt een TWEESTAPSDRAAI ook wel genoemd BOERENWALS

Stap-Hop

Wordt een stap-hop met rondgaan oftewel een POLKA pas MET OVERSTAP

Wisselpas

Dat wordt een GLIJPOLKA

Walspas

Doe je dat met zijn tweeën dan heet het een WALS

Schotse pas

Wordt, als je doordraait, een (normale) POLKA. Doe je dit in open danshouding heen-en-weer dan heb je (rara) een OPEN POLKA.

Spinpas

Doe je dit samen dan ben je aan het SPINNEN.

Het draaien

Bij al deze passen behalve bij de SPINPAS werken de partners met tegengestelde voeten (man links vrouw rechts)

Men draait in het algemeen rechtsom en beweegt daarbij in dansrichting - alleen SPINNEN gebeurt op de plaats. Als spil fungeert het rechterbeen dat afwisselend door de man en door de vrouw tussen de voeten van de partner wordt geplaatst. Men stapt met de rechtervoet voorwaarts en in dansrichting. Door de voet uitgedraaid neer te zetten krijg je al een behoorlijke draaiing, maar je moet wel degelijk elke draai met je schouders inzetten. Op de linkervoet stapt men vervolgens achteruit in dansrichting, ook hierbij de voet weer uitgedraaid neerzetten.

Het TUSSENPLAATSEN van de voet gebeurt:

Tweestapsdraai en stop-hop in de rondte

Iedere keer dat de RECHTER voet wordt neergezet

Glijpolka

Op de “slow” van het quick-quick-slow ritme. Elke tel draai je 1/4

Wals

Op de eerste tel van elke maat

Polka

Eigenlijk draai je steeds een halve slag op het zweefmoment van de “hup”. Voet wordt niet zo erg duidelijk tussen de voeten van de partner geplaatst.

Spinnen

Hierbij worden de RECHTER voeten met de BUITENKANTEN naast elkaar gezet.